Alles hierna.

november 29, 2008

Toen ik ongeveer acht uur geleden op de achterbank van de auto zat en de bomen zag voorbij flitsen alsof het onbenullige wezens waren, realiseerde ik me plots iets.

Ik besefte dat alles ineens te snel naar mijn zin ging. Dat ik zowat weg gezogen en meegenomen werd door levens die niet eens de mijne waren. Ik ben twintig en na heel wat geleidelijk gedoe sta ik er nu effectief voor: mijn laatste jaar en mijn kleine sprong naar de (onfortuinlijke?) toekomst. Toekomst is, voor mij dan, op dit moment een woord met heel wat negatieve betekenissen. Ik probeer er zo min mogelijk aan te denken, maar elke dag stevent er wel een regelrechte aanraking op me af die ik zo snel mogelijk zonder na te denken probeer weg te ketsen.

Vandaag was het anders. In enkele ogenblikken zag ik mezelf als veranderd individu op vele vlakken. Van karaktereigenschappen die ontpopt zijn tot redelijk aanvaardbare opvattingen op de meeste momenten, tot mijn eindelijke ietwat afhankelijkheid van thuis tot mijn studies.

Toch heb ik plots het idee dat alles ineens een andere wending heeft genomen. Dit is het. Waar ik nu nog volop leer en stress beleef voor stages en examens, zal er volgend jaar god weet wat zijn. Waar ik nu leef als een parasiet op te veel mensen, zal ik dan eventueel wankelig op eigen benen moeten vertoeven.

Er zijn een hoop dingen waarvan ik niet wil dat ze veranderen, maar ervaring leerde inmiddels ook wel dat veranderingen noodzakelijk zijn wanneer je niet in een achterlijke neerwaartse spiraal wil terechtkomen, en wel degelijk wilt leven en zijn.

Doch voel ik mij op dit moment ontzettend afhankelijk van bepaalde dingen, zaken, en mensen. Ergens veronderstel ik dat dit idee de aanleiding gaf tot al mijn headrambles van het moment. Ik heb geen zin om in al mijn gevoelens, verdriet en geluk afhankelijk te zijn van anderen. Maar misschien is dat het meest noodzakelijke om net een kleine sprong naar al het volgende te maken. Of misschien is dat ook maar een kleine, hoopvolle gedachte die mijn gemoedstoestand zou moeten sussen.

Een beetje een begin.

november 28, 2008

Laat ik even met de deur in huis vallen: ik hou van illustraties, tekeningetjes, acrylverfjes, penseeltjes en alles wat hier ook maar iets mee te zien heeft. Ik hou van de subtiliteit van acrylverf en de harde realiteit dat ik meestal van boven tot onder wel eens random strepen blauw, rood en wit op mijn gezicht heb hangen. (Ik hou er natuurlijk wat minder van dat niemand eens de moeite doet me dit kleine detail te vertellen. Het zou me veel moedeloze blikken besparen op straat).

Naar aanleiding van een alternatieve stage in het tweede semester (mijn absolute meesterdoel op dit moment, ik kwijl al bij het idee om er simpelweg aan te denken), ben ik twee weken geleden mijn vijfde maand ingegaan dat ik naar een illustrator op zoek was.

Na heel veel “nee, toch maar lekker niet”’s, “te veel werk”, “ik kan niet ingaan op je vraag” en vooral veel excuses, kwam ik uiteindelijk toch uit bij iemand die zo lief was me door te verwijzen naar een illustratrice die het wel zag zitten.

Dinsdagavond was het moment. Met een beetje hulpeloosheid, een portfolio onder de arm en schuifelende, wantrouwige voetjes begaf ik me met een beetje zinloosheid richting andere kant van Leuven. Toen ik even later naar de zolder was geklommen en haar kleine studio (alias kot) binnen wandelde, kon ik wel een lichte, subtiele kreet van euforie slaan. Inderdaad, van acrylverfjes tot kleurpotloodjes tot boekjes en penseeltjes: alles was aanwezig in grote aantallen.

Van het moment dat ik binnen wandelde, wist ik simpelweg dat dit zou zijn wat ik wilde doen. Het klinkt vreemd om jezelf zo half wat weerspiegelt te zien in iemand’s omgeving, maar feiten kunnen zelden genegeerd worden.

Ongeveer een uurtje (en zeer veel schilderwerken) later, sloeg ik de deur achter mij dicht en maakte ik een licht huppelsprongetje (een zelden gebruikt alternatief voor wanneer er niemand in de buurt is om de oren van het hoofd te zagen).

Mijn begin. Mijn prille aanloopje in de eindelijk zowat juiste richting. Ik was er. Bijna, maar nog heel erg ver weg, van wat leek op wat ik eventueel wel eens zou kunnen worden.
En soms kan dat wel eens bevrijdend zijn, leek ik in mijn hoofd te vermelden toen ik door de barre koude slenterde, op weg naar huis.

Mijn kalmte.

november 26, 2008

Het voorbije weekend was een meest noodzakelijk weekend. Een weekend dat al lang geleden had moeten gebeuren, maar door gebrek aan tijd (heus?) dus nu pas zou doorgaan.

In één dag vertrokken ik en mijn wederhelft in de ochtend door de bittere kou naar Brussel. We waanden ons in de subtiele straatjes (liepen even verloren, maar we zijn zo ontzettend goed dat we altijd wel uitkomen waar we heen willen. Of dan toch meestal), winkelden zonder drukte om ons heen en daarna verorberde ik de meest geweldige smoothie aller tijden (ik ben hopeloos verliefd).

Volgende stop was het Gentse dat besloot de trams met gigantische vertraging te laten rijden, zodat we mooi op eigen houtje (zonder kaart, een zeer belangrijk detail) de Korenmarkt konden zoeken, met resultaat. Nog geen twee uur later zaten we door een mooie aansluiting in Brugge, te kijken naar barkoude ijssculpturen.

Ik hou ervan dat België zo klein is. Ik kijk en ontdek dodelijk graag en vaak mis ik dingen als ik op eenzelfde plaats en punt sta, maar wanneer ik door België reis, kom ik zowat tientallen culturen tegen. Al is het de veelvuldigheid van Brussel of het aantal accenten die men trotseert op één dag: zo’n ‘reis’ vloeit. En dat heb ik nodig. Het punt dat ik hem zowat beleef met mijn meest favoriete persoon, is een punt dat ik niet kan negeren. Wanneer ik weet dat hij hetzelfde denkt en voelt op zo’n dag, word ik rustig.

Maar de kers op de taart was zee. Zee met zijn gigantische golven, zijn snerpende koude strand, hevige wind en zijn ellenlange duisternis. Op zo’n momenten ben ik tevreden en vooral, nogal gelukkig. Het feit dat een samenspel van details mijn hoofd bevriest, laat mij voelen alsof ik de meest kalme persoon op de wereld kan zijn.

Voeten vs Sneeuw.

november 23, 2008

Gisterenochtend rukten mijn ogen zich los uit hun slaap. Mijn kamer was verlicht door een heldere, witte gloed die door de pikzwarte gordijnen scheen. Zonder enige hulp speelde er zich een miniem glimlachje rond mijn mond en zelfs voor ik de gordijnen open had geschoven, wist ik al zeker dat ik me aan een sneeuwtapijt kon verwachten.

Ik had moordend hard gelijk. Ik hou van sneeuw. Niettemin is zomer mijn meest favoriete seizoen (hoe kon het ook anders), maar stiekem verlang ik na kleuren van herfst naar de absolute koude van sneeuw.

Vijf uur later dacht ik er al meteen anders over: mijn voeten besloten tot twee keer toe in Gent niet compatibel te zijn met de half gesmolten sneeuw op de grond en waanden zich in een labiele bui.
Even later hadden ze het beruchte idee zichzelf te laten afvriezen. Inmiddels waren mijn twee kleinste teentjes al bij-na losgekomen van hun geheel: meneer rechtervoet.

En zo gaat het elke winter met sneeuwval. Een beetje vrolijkheid, gepaard gaande met frustratie en dilemma’s (welke, oh, welke van mijn honderd paar schoenen zou het warmst zijn?)

Maar toch, steeds present blijft de meest stiekeme gevoel blij te zijn als een kleuter bij de eerste sneeuw.

Op de één of de andere manier ben ik verzeild geraakt in één van de honderden geheime mysteries van huisje X.

Huisje X is ’n zogenaamd kot in Leuven, volledig toegewijd aan zes totaal verschillende mensen, waarna ik zowat de zevende parasiet ben. Ik ben er alles behalve steeds, maar sinds enkele dagen terug weer wel.

Naast de hilarische gevechten met de vliegenmepper, de veel te lange avondgesprekken aan de keukentafel en de alles behalve eenzame filmavonden kwam vanmorgen de minieme knal.
Eindelijk was er aan de keukentafel het meest onaangename gesprek tussen twee mensen. Jammer genoeg was ik één van die twee mensen. Er zijn dingen die men niet hoeft te weten, anderzijds omdat men er al effectief stiekem een idee van had en het net nog wel ging om dat idee soms de kop in te drukken. En soms is er dan het feit dat ze algemeen worden uitgesproken, zonder enige gene of idee in het achterhoofd.
Misschien is het allemaal niet zo bedoeld, maar dat zou maar één enkele schrale troost zijn waar ik geen zin in heb op te rusten. Het zou een andere mentaliteit kunnen zijn, een naïef gesprek (bestaat dat?) of een inleiding tot een diepgaander geheel dat ik eigenlijk, per geluk misschien, heb stop gezet voor het kon groeien.

Maar plots was het er dus effectief. Ik had er niet om gevraagd en had duidelijk gewild dat het weg was gebleven. Duidelijk zal het zich alweer manifesteren en wroetelen waar het totaal niet hoort te zijn: tussen twee en dezelfde in.

Het zit er en blijft er nog een aantal maanden zijn, veel te dichtbij en vooral, zeer blijvend.

Appeldrang.

november 19, 2008

Vandaag liep ik door de straten van Leuven met een gigantische zin in een appel.

Naarmate de tijd verdertikte en mijn keel beetje bij beetje meer schreeuwde naar een degelijke verfrissing, dwaalde ik langs drie fruitwinkels.
Bij de vierde was het genoeg. Mijn toch wel dominante metgezel sleurde me zowat de koude winkel binnen. In haar achterhoofd had ze voordien al besloten dat -wanneer ik één appel nam- ik deze so-wie-so gratis mee zou krijgen (want ‘fruithandelaars’ zijn altijd zeer lieve en gulle mensen). Mijn dominante metgezel drong er bijzonder op aan dat ik de meest mooie, glanzende appel uitzocht.

Na deze bijzonder moeilijke keuze, kwam er een blonde, oude en goedlachse dame in schort aanzetten. We lachten liefjes. Ze schooide snel de appel uit mijn hand, gooide er een ‘dat zal het zijn?’ uit en zette hem prompt op de weegschaal.

“Dat is dan 47 cent, alsjeblieft”. De blonde, oude en goedlachse dame verdween even en er kwam een rimpelig, afgeleefd en gierig mens met asgrauw blond haar in de plaats. Met brave oogjes betaalde ik, waarna we de fruitwinkel uitslenterden.

Ik bekeek mijn dominante metgezel en zij bekeek mij. “Gezondheid is duur, tegenwoordig”. Ik slikte even en beaamde.

Men zou voor minder even naar de GB lopen om een pak koekjes te halen…

Maurice

november 16, 2008



Maurice, originally uploaded by Zienderogen.

Het blijft vreselijk moeilijk om al je deadlines en stagevoorbereidingen af te krijgen als er een uitermate snoezige, vreselijk laptop- geïnteresseerde kat in het bijzijn van je werk vertoefd.

Misschien is het tijd om kennis te maken met Maurice, de kat. Maurice de kat had het idee twee weken geleden twee voetgangers lastig te vallen op straat (waaronder ik, natuurlijk. Anders zou deze blog vrijwel geen punt hebben). Vreemd feit aan dit beestje; meneer had een e-nor-me staart. Toen we eindelijk doorhadden dat we niet met een lemur, maar met een kat te maken hadden, doopten we hem plots ‘Maurice’ (naar de bekende animatiefilm; ‘Madagascar’, jeweetwel, met die dikke lemur met die gigantische staart). Vaag had Maurice het vermoeden dat wanneer hij, met klaaglijk gemiauw en een uur lang nieuwe vrienden voor de voeten te lopen, een nieuwe thuis kon vinden.

Maurice is inderdaad niet van de domste: in nog geen mum van tijd werd hij opgenomen in een nieuw gezin en wist hij zich met lieve oogjes en een aanhankelijk karakter te laten blijven. We zwijgen wijselijk over de veelheid teken op de vacht en het stille geronk (lijkt zowat op eindeloos motorruis in de verte) dat wordt geproduceerd wanneer iemand nog maar tegen de kat durft porren.

Ik zal eerlijk zijn: op dit beest, ben ik dolverliefd.

Vrouwelijke gevechten.

november 15, 2008

Er is niets zo walgelijk om te zien als een vrouw die zich onbeholpen in haar panty’s probeert te wringen. Wanneer ik de wroetelende meid in de spiegel alle moeite van de wereld zie doen om haar cellulitiskont ook maar een centimeter in de vervloekte panty’s te hijsen, probeer ik met rollende ogen beschamend de blik af te werpen. Na ongeveer een vijftal minuutjes met een gevecht op leven en dood is het zo ver: klaar! Tevreden en met een opgeluchte, luide zucht trek ik mijn rok naar omlaag: alweer een moeilijke opdracht vervuld. Met een gelukkig hoofd kan ik me dadelijk weer toonbaar maken in de straten van Leuven.

Wanneer ik me omdraai, valt mijn arendsoog plots op een gigantische ladder in mijn kous. Mijn gezicht spuwt vuur en met hevige tongrol begin ik luidkeels te vloeken, terwijl ik een nieuwe set panty’s uit de kast graai.

Daar gaan we dan weer.

De druppel.

november 14, 2008

Vandaag was de druppel.

Na een vermoeiende stage die er bijna zal opzitten (ik tel af: nog anderhalve dag), is het nu zover: vandaag was de druppel.

Twee weken lang moest ik met zweten en puffen leerlingen proberen bij te brengen wat ’secundaire kleuren’ waren, hoe je een rechte lijn moest trekken en wat het uiteindelijke verschil nu was tussen geloof en bijgeloof na een te zware les communicatie. Twee weken lang had bijna geen enkele leerling zin om nog maar één blik te werpen op die ‘overbodige stagiaire vooraan het bord’, terwijl ik hen bijna elke dag zuur met hun ogen zag rollen wanneer een leerkracht of ik passeerde. Twee weken lang heeft dit meisje haar onthouden van het sociale contact in Leuven ’s avonds omdat het simpelweg niet meer ging vanwege de uitgeputheid. Twee weken lang hebben er zich constant veranderingen voorgedaan in het rooster en god weet wat nog, die ik allemaal maar moest bijhouden en aanpassen op internet voor de mentoren.

Na een eerste tegenslag (het bezoekje van mijn mentor tijdens een te uitgebreide les, volgens haar), kwam de tweede tegenslag (een dag later: bezoekje van een andere mentor. Het meest irritante kind van de klas had dodelijk leuk besloten dat hij ‘die stagiaire’ eens ging leren wat ’slechte punten’ waren van een mentor: de hele les heeft hij de tweejarige kleuter uitgehangen. Ik kon zijn nek omwringen en hem daarna dood laten vriezen in de Himalaya met als enige fucking troost een achterlijke onderbroek met Samsonprent).

Na twee weken was vandaag de absolute. Absolute. Druppel.

Rond de middag wandel ik de leraarskamer binnen. Een medestudent LO kijkt alvast bedenkelijk bij mijn plotse aanwezigheid en besluit me subtiel te waarschuwen: in de voormiddag zat een docent tijdens de pauze te wachten op zijn stagiaire die les Zedenleer zou geven. Het haar op mijn arm kwam langzaam omhoog. Met hand en tand probeerde ik beschrijvingen van de docent te pakken te krijgen. Plots waren we er, veel te vroeg: “Had hij een oranje tas bij zich?”, kwam ik tot ingeving, hopend dat deze beschrijving niet zou leiden tot mijn ergste angst: de docent Zedenleer (typebeschrijving is overbodig).

Mijn medestudent knikte.

Shit.

Toen ik thuiskwam en checkte, besefte ik dat de veranderingen op het lesrooster via internet niet waren doorgevoerd. Gezien ik de laatste tijd leef van tijdgebrek had ik ook niet gecheckt of het effectief was doorgevoerd (grote fout). In mijn mailbox was een pissige, furieuze mail aan het wachten om geopend te worden.

En ik, ik kan op dit moment enkel slikken en mezelf verdrinken in schuldgevoel en zelfmedelijden.

‘Mister T’

november 13, 2008

Toen ik eergisteren op wat foto’s stuitte van vorig jaar, liet ik plots mijn oog vallen op een kwiek ventje in de hoek dat bedeesd naar zijn studenten keek. Een gevoel van verwarring en chaos maakte zich plots meester over mijn nog niet zo wakkere hoofd.

“Fuck”, denk ik dan. Wanneer men wat nostalgie wil oprakelen door in mappen met foto’s te bladeren, is het toch wel niet het toppunt dat men steeds op foto’s stuit die men nu eens niét wilde zien.
Ik zette mijn rug recht en besloot de confrontatie aan te gaan. Het kwieke ventje in de hoek die zich meester maakte over de orde in mijn hoofd (welja…’orde’ is nu eenmaal wel een groot woord, ya get the point), was tot mijn absolute heuglijkheid vier maanden lang de vervanger geweest van mijn docent decoratie en schilderen.

‘Meneer T’ lijkt me een fantastisch en geschikte naam voor de persoon in kwestie. Laten we even die vier fan-tas-tische maanden overlopen: Wanneer meneer T. les gaf, was dat met volle overtuiging één complete ramp. Hij legde zich languit op de banken, sprak binnensmonds met een stil stemmetje (tot grote ergernis van ons, het gros van de absoluut luisterende studenten), en speelde verlegen met de rits van zijn broek (geen verdere commentaar), de sleutels in de zak van zijn geliefde blauwe pull of het krulletje rechtsboven zijn vermaande, arrogante hoofd.

We hielden niet van hem, onze Mister T. Wanneer hij ons niet zenuwachtig maakte in de les door zich zo ongemakkelijk mogelijk te voelen, verzon hij wel enkele toepassingen op de algemene leerstof die onze oren deden suizen en waarvan we zeker wisten dat kunst iets was dat diep onder de grond moest blijven rusten.

Nu bleek dat ‘mister T’ er toch wel zeer excentrieke gewoontes op na hield qua het verzinnen van opdrachten. Toen we ‘het abstracte’ moesten weergeven met pastelkrijtjes (ik hou even achterwege dat die effectieve zin het enige ‘bruikbare’ en nuttige was wat hij zei in verband met de opdracht), besloot hij maar even dat het een groepswerk was dat in de inkomhal van de school opgehangen zou worden.

Ongeveer een maand later was het zo ver: Iedereen schreef zijn naam zo bewust en klein mogelijk in een hoekje van zijn werk zodat niemand van de andere studenten effectief zouden weten van welke studenten die afschuwelijk lelijk, onbegeleide crap was die boven hun hoofden pronkte.
Omdat dit alles nog niet amateuristisch genoeg was, besloot ‘mister T’ er nog wat aan toe te voegen. Wij, studenten kunst, mochten ons op de achterkant expressief uiten met een klein staafje houtskool.
Het toeval liet er niet aan voorbij gaan dat een lieftallige klasgenoot een furieuze hekel had aan de huidige docent en zijn wartaal.

Een uur later pronkte -net als men binnen kwam en een blik op het afschuwelijke kunstwerk wilde werpen- een wel zeer expressief geuit woord, pal voor de studenten, docenten en decanen hun neus.

‘Mister T’ was in de zevende hemel met het zien van het gefrustreerd gekribbelde woord; ‘vulva’. Wat had hij het getroffen met zo’n sublieme studenten…