Over prikkelbaar fruit.

december 29, 2008

Pakweg drie jaar geleden greep ik naar een koekje terwijl wel drie mensen me een appel aanreikten. Met veel hoofdgeschud, gejammer, geprotesteer en koppig gedoe werd de appel telkens terug getrokken tot een donkere plaats (of tot de frigo, whatever), terwijl ik mijn koekje met veel smaak oppeuzelde.

Nadien groeiden we alweer in ons voedingspatroon -of toch alleszinds in ons fruitpatroon, om nu ook weer niet te overdrijven- en werkten we continu appels (van die smakelijke rode) naar binnen. Sindsdien is er wel zowat veranderd. Terwijl ik vroeger koekjes als de hemel ervaarde, gingen we erna resoluut voor de verkenning van de fruitwereld.

Anno 2008 glimlach ik liefjes naar de mensen die me vroeger een appel in mijn strot wilden duwen terwijl ik niet wilde: “zie je wel, jullie kregen wat jullie wilden en  ik ben er zelfs blij mee ook”.

Jammer genoeg keert ook het fruit zich anno 2008 tegen mij: waar ik vorige week nog acht mandarijnen na elkaar opat (ik had honger, en dat is het beste excuus dat ik kan verzinnen) en nadien ‘zo plots’ buikpijn ervaarde, zag ik vandaag twee ongelooflijk mooi uitziende cactusvijgen in de winkel liggen. Mooi verpakt en met glunderende ogen stond ik nog geen tien minuten later dolgelukkig buiten met mijn nieuwe aankoop. En zoals zo vaak met cactusvijgen, had ik er alweer niet bij nagedacht dat de naaldjes zelfs door de verpakking heen steken.

Ik lijk alweer een speldenkussen. Geweldig. Koekje, anyone?

En toen was het even genoeg.

december 28, 2008

 Als het van mij afhing, pakte ik een koffertje vol met onbenulligheden en nam ik een treintje naar heel-ver-weg-hier-vandaan.

Regenboog – Part 2

december 23, 2008



Regenboog – Part 2, originally uploaded by Zienderogen.

Soms is foto’s nemen van je allernieuwste afleiding (een simpele muts…) van het studeren het beste idee dat je je maar kan bedenken.

Achteraf bekeken hebben we natuurlijk niet gedacht aan het gevolg; als broodnodige emotie voelen we ons nu ont-zet-tend schuldig vanwege de verspilling aan tijd.

De openbaring.

december 22, 2008

Het is officieel dag drie van de kerstvakantie. Dé kerstvakantie is het synoniem voor een leuk kerstboompje, veel lichtjes, gezellig warm zitten onder een dekentje, lekker eten, veel vrije tijd en vooral: veel cadeautjes (mijn excuses, soms komt mijn materialistische zelf nog steeds even egoïstisch aanzetten).

Sinds drie jaar is dat minieme sprookjesachtige idee omgezet tot een gruwel van cursusjes, nota’s, boeken, schema’s en hoge denkpatronen: de kerstvakantie toverde zichzelf om tot “de blok”.

Sinds gisterenavond ben ik -naar aanleiding van de blok- tot een vreselijke ontdekking gekomen die mijn sociale leven wel eens in de war zou kunnen brengen en het einde zou kunnen betekenen van mijn normale leven (ik overdrijf àmper…). Ik merkte plots op (na drie jaar, het kan wel ‘ns) dat ik ’s avonds in één ruk door makkelijker kan leren dan overdag. Scénes van de nacht die het lerende individu opslokt in zijn duisternis terwijl ze ’s ochtends gaat slapen en weer opstaat wanneer het donker is om te leren, speelden zich af door mijn hoofd.

Natuurlijk wil ik het mijn omgeving niet aandoen van mijn slecht gezinde kop en onnodig, overbodig gezaag en gezeur drie weken te moeten missen, en bijgevolg zal ik voortaan mijn leven weer hervatten zoals het was: met heel erg veel vertragingen in studiepatronen en een teveel aan afleiding overdag. Aren’t I the sweetest.

Ongeveer twaalf jaar geleden zocht ze de hele GB af naar noodzakelijke (en minder noodzakelijke) spullen die op haar lijstje stonden. Achter haar aan liep een relatief klein meisje met lichtbruin, lang, golvend haar en een zwijgende blik. In haar achterhoofd had ze haar meesterlijke plan al uitgestippeld nog voor ze met mama in de winkel dreigde te belanden.

Aan de kassa was het zo ver. Terwijl mama de etenswaren met haastige handen op de toonbank zwierde, slikte het meisje even en haalde ze haar schattigste stemmetje boven; “Mama, mag ik iets uit de ’sjikkepot?’” Mama glimlachte even, plofte de kaas neer en graaide naar het volgende object, terwijl ze kordaat instemde; “ja”.

Elke week passeerde ik samen met mama langs die vier, glimmende rode ’sjikkepotten’ op mijn eigen (kleine) hoogte en wenste ik al bij aankomst dat mama zo lief zou zijn om me twintig frank toe te stoppen waar ik me op het volgende kauwgompje, ringetje, armbandje of springballetje mee zou trakteren.

Naarmate men ouder zou worden, verdwijnt de drang om naar het toestel te lopen en je te laten verrassen door het toeval of geluk…Tot mijn blik er na de aankopen van vorige week maandag op viel dat er wel zes glanzende ’sjikkepotten’ tegen de uitgang van de winkel geplet stonden. Mijn kindertijd gonsde weer op en bleef ronddwalen in mijn hoofd, terwijl mijn beste vriendje vrolijk de rol als mama vertolkte (zoals zo vaak) en mij een ringetje en een armbandje draaide.

Sommige dagen kan ik echt het gelukkigste kleine meisje van de wereld zijn…

Vandaag wandelde ik in sneltempo met pak en zak (men ziet het zelden anders tegenwoordig) naar het station. Na eindelijk het perron te hebben bereikt (ik negeer dat de roltrappen alweer besloten niet mee te werken), viel het me na tien seconden op dat de NMBS een spoorwissel de wereld had ingestuurd. Maar weer naar beneden dus.

Toen ik eindelijk en dolgelukkig me liet neerploffen in de trein naar huis, glimlachte ik gelukzalig naar mezelf in het venster. Net op dat moment kreeg ik mijn buur in het oog: een grote, nogal onguur uitziende lange slungel met blond, kort haar, een stel luie ogen en een achterlijke lach waardoor zijn gele, scheve tanden in alle enthousiasme stonden te glimmen.

Ik heb niets tegen lange, ongure slungels met een achterlijke lach. Maar wanneer ze de hele treinrit op nog geen meter zitten te staren en debiel zitten te glimlachen, heb ik daar toch zo mijn bedenkingen bij.

Naarmate mijn luiheid en mijn te veel aan reistassen ben ik blijven zitten. En ergens leverde dat nog iets leuks op ook (hoe veel geluk kan je hebben?). Mevrouw de conducteur (ok, ok, conductrice) kwam luid de wagon binnen. Toen ze besloot dat ze werkelijk alle ticketjes wilde controleren, nam ze zich voor haar missie te vervolledigen en het gevecht aan te gaan met een slapende hobo. Na drie keer een werkelijk zachte en lieve “meneer?”, volgde er een ietwat gefrustreerde; “hum?” waarna er nogal luidkeels; “MENEER!” door de wagon galmde. Dit werd vervolgd door een luide snurk (zo cliché), en een “ah”, waarna hij nogal wazig zijn treinticket aan zijn pretbederfster doorgaf, en deze hem vroeg; “waar moest u afstappen, meneer?”

“Euh…Leuven”. Zijn slaperig hoofd staarde nietszeggend in het rond en ik was er zeker van dat hij het volgende station eveneens niet zou halen, en bijgevolg zijn terugkeer naar Leuven nogmaals zou moeten uitgesteld worden.

Ik gniffelde even en keek de andere kant op, waar mijn blik verwelkomd werd door lange slungel met achterlijke lach.

Godver.

Driftkikker tot de tweede.

december 8, 2008

Afgelopen vrijdag vertoefde ik omstreeks acht uur bij mijn nichtje (type: vijf jaar, hyperactief, schreeuwend, en ontzettend koppig). Ik keek naar het spelletje dat ze met haar mama aan het spelen was en luisterde geboeid naar haar furieuze woorden; “en jij wint AL-TIJD, want jij doet dat FOUT en ik win NOOIT”.

Tegen de tijd dat de volwassenen er genoeg van hadden, had mijn nichtje ‘per ongeluk’ ineens zes keer gewonnen. Ik meen me te herinneren dat ik dat niet enkel ‘goed geluk’ noemde, toen ik tante haar knipoog richting mij zag vliegen.

Mijn nichtje is een driftkikker op vijfjarige leeftijd. Ergens heb ik niet de capaciteit om haar daarover te veroordelen: zelf ben ik een driftkikker op twintig-jarige leeftijd (ik schaam me diep). Waar haar koppigheid haar met twee vuisten laat slaan op de houten salontafel, laat mijn koppigheid me furieus een schel en gevat antwoord richten tot degene die -in mijn ogen, uiteraard- wat verkeerd zei. Dat was vroeger wel anders. Ik geloof dat er verschillende factoren hebben bijgedragen aan mijn koppige ‘gevatheid’, waarvan ik nog steeds niet goed weet of ik hem als positief of negatief zou moeten beschouwen.

Maar gezien ik morgen om kwart na zes uit bed moet rollen, is dit uur (hoe vroeg het ook mag zijn) ook alweer geen uur om daarover na te peinzen.

Na ongeveer vier uurtjes slapen, zes keer een vreemde blik op straat en een miljoen keer weggedoffel in mijn paarse, sublieme sjaal, was ik er.

Van het moment dat ik de klas binnen wandelde, kreeg ik negen paar meelevende ogen en vijf keer een “niet goed geslapen?” terwijl ik snel eens knipper en mijn eigen exemplaren amper fatsoenlijk openkrijg.

Wanneer ik daarna eens aan de babbel sla met mijn dominante metgezel, is het zo ver: plotseling vermeld ik dat ik, nog geen drie uur geleden, tien minuten lang, eenzaam voor de spiegel stond met een zak diepvrieswokgroenten op mijn twee kijkers (zonder resultaat, blijkbaar).

Een geluk dat mijn dominante metgezel even belachelijke (niet-werkende) ideeën heeft als ik. Nooit gedacht dat er effectief meerdere mensen met diepvriesmaaltijden op hun face voor de spiegel staan voor een eindeloos lange tijd (nogmaals, zeer belangrijk: zonder resultaat).

Omdat we er de humor maar eens van moeten inzien. Dan zien we alsnog iets.