Nietszeggend.
februari 21, 2009
Om de één of andere bizarre reden blijf ik de trailer van “Revolutionary Road” herhalen tot ik er zelf misselijk van word. Ik bekijk hem al lang niet meer, en sinds tien minuten geleden heb ik besloten dat klank op zich hetzelfde effect geeft: de beelden lijken mijn visuele capaciteiten er zelf in mijn hoofd razendsnel bij te schilderen.
Ik voel mij ongelooflijk uitgeput, leeggezogen en dood op dit moment. Niet om één enkele redenen, maar in principe kan ik er honderden bedenken. Het is één van die dagen waarin ik mezelf, mijn visies en denkwijzes nog maar amper kan uitstaan (vermeld nu maar ‘ns dat ik nog steeds puberale momenten heb, ik geef je mijn volledige en labiele toestemming). Mijn ideeën zullen eerlijk moeten bekennen dat ik heus wel weet dat anderen er meer onder zullen lijden dan ik, maar op dit moment ben ik pissig, ver en eenzaam van alles wat pakweg enkele weken geleden in mijn buurt leek rond te dolen.
Bizar genoeg wilde ik dat ik mijn frustratie ergens zou kunnen spuien waar het totaal niet uitmaakte of ik er nu schreeuwde, krijste of hysterisch behangpapier van de muur zou trekken. Jammer genoeg zou ik voor deze toepassing naar het psychiatrisch ziekenhuis moeten huppelen, en aangezien ik daar bijster weinig zin in heb, zal ik het moeten oplossen met een nodige dosis slaap, terwijl ik hoop dat alles morgen helder lijkt te zijn, al is het maar een beetje fake.
Her Morning Elegance.
februari 17, 2009
De meest sublieme en dromerige stop-motion die ik tot nogtoe zag. Ik hoor hem praktisch fluisteren om er volledig verliefd op te worden. Who am I to refuse?
Op de één of andere manier geeft dit mij ‘n immense zin om mijn penseeltjes bij elkaar te rondselen en een nieuwe aanval te richten op ‘n spierwit blad. Ik veronderstel dat we daar dan maar ‘ns voor gaan, vandaag.
Little Red Riding Hood
februari 15, 2009
…Was a little scared when she suddenly realised she was all alone.
Ik kus mijn sociale leven vaarwel.
februari 10, 2009
Stage (alias ‘werk’, wat klinkt dat toch belachelijk volwassen. Als ik vandaag al iets gegeten had, zou ik het onmiddellijk uitkotsen bij het trotseren van dat woord). En inderdaad, het is zo ver. De ongelooflijk en ronduit irritante pubers die rond mijn hoofd zitten te zoemen als gevaarlijke insecten staan weer volledig ter mijnen beschikking om van mijn sociaal leven een puinhoop te maken (zei ik al dat ik een sociaal leven een noodzakelijk aspect acht van mijn ontwikkeling?).
De komende zes weken zal ik worden omringd door vragen zoals “mevrouw, wat moeten we doen?”, “mevrouw, ik heb dat niet bij” en “mevrouw, is dat goed?”, terwijl ik tandenknarsend mijn voeten onder mijn lijf zal lopen en zal wijzen op wat op het fucking bord geschreven staat, trek uw ogen open. In mijn achterhoofd excuseer ik me nu ontzettend hard; ik verfoei mezelf wanneer ik zoals een leerkracht klink. Bijgevolg zet ik, telkens ik een klaslokaal binnen wandel, de knop op een volledig andere stand die mezelf niet eens nog kan weergeven zoals ik ben.
Toch ontdekte ik vandaag een licht irritant en zoemend stemmetje in mijn achterhoofd wanneer ik uitleg gaf aan de bende snullen en hun vragen poeslief beantwoordde. Ik besefte plots dat ik -bizar genoeg- commentaar aan het geven was op de achterlijke, puberlijke individuen van de moderne maatschappij tussen mijn eigen uitleg door (kunnen vrouwen dan wel niet degelijk twee dingen tegelijk? Of alvast toch al wel wanneer het aankomt op het afsnauwen van dergelijke mensen. Hoewel op dit moment zelfs niet zo dergelijke mensen ook niet zo veilig zijn).
Nog 28 dagen en 165 breakdowns te gaan. Hier gaan we weer.
Satijnen Dekens.
februari 9, 2009
Het is iets na twee en nog steeds staar ik uit het raam naar uitgestrekte velden, een bewolke lucht en absolute eenzaamheid.
Parijs liet duidelijk zijn harde sporen na. Drie dagen van pure snelheid en inspanning en het vullen van elk idee dat nog overbleef van thuis met wereldbeelden werden eergisteren gevuld met een harde leegte. Ik viel van het ééne uiterste in het andere. Van stad, honderden lichtjes en mensen die hun ogen gebruikten als de meest subtiele glimlach, naar de mist die over verlaten gras dreigde te schemeren. Om alles subtiel samen te persen in één enkele zin, kan ik vermelden dat het hier eenzaam is. Een andere eenzaamheid dan het levende Parijs, waarbij men enkel en alleen opging in de massa, terwijl mijn hier zelfstandig en dreigend alleen in eigen mist staat, wachtend op een nieuw iets dat absoluut niet snel zal komen. Het is vreselijk om te vallen van één uiteinde naar het andere, en zoals steeds staat men daar subtiel verlaten bij.
De voorbije dagen waren een relatief en continu besef dat wanneer men datgene kende wat de moeite waard was om naar de staren en in te leven, het maar barmoeilijk is om oude dingen weer te hervatten. Sommige dingen worden na enkele luttele momenten zelfs als noodzakelijk geacht. Of het nu een stad zou betreffen, een simpele aanraking of een vertederde blik: wanneer het bevalt, hebben we in ieder geval liever dat het blijft (We houden wel weer van de egoïstische subtiliteit, right?) . Ik leefde vroeger op mezelf; op mijn uitgestrekte landschap en mijn kamer vol met prulletjes, en daar was ik ronduit tevreden mee. Nu leef ik op mensen; ik ontdekte de reden van een parasitair bestaan en mijn vingers bleven zich uitstrekken naar de vrolijkheid die andere mensen mij beter konden gunnen dan ikzelf ooit tevoren had gekunnen. En vanaf toen was er eenzaamheid. Ik besef maar al te goed dat geen enkel individu ontsnapt aan een parasitair bestaansleven: iedereen heeft wel iets dergelijks nodig. Of het nu louter het zogenaamde idyllische en amper vattende ‘liefde’ zou zijn, een stad die je laat leven of het comfort te weten dat je steeds bij iemand terecht kunt.
En net dat punt maakt ongelooflijk angstig. Het punt dat vanzelfsprekend lijkt te zijn, maar dat absoluut niet zou mogen zijn. Afhankelijkheid maakt satijnen dekens die omhullen in een noodzaak die ieder wel betreft. Het is enkel, wanneer eigen leven opgaat in het andere, dat enkel dan alles een probleem zal worden.
En dan zal ik nu subtiel vermelden dat ik enkel terug wil naar Parijs, omdat eenzaamheid binnenin de massa me nog het simpelste lijkt om afhankelijk van te zijn.
3 Days in Paris.
februari 7, 2009
“Paris, je m’ennuie de toi mon vieux. On se retrouvera tous les deux. Mon grand Paris.”
Zoals Piaf het zong, sluimerde Parijs scherp en diep in aderen die de mijne waren. Ik had niet snel gedacht dat mijn ogen ooit de drukte, snelheid en duizenden lichtjes van Parijs zouden ontdekken, but yet, they did. Ze werden overweldigd bij de directe aanblik van de gebouwen in station Noord en dreigden flauw te vallen bij de echtheid van mijn besef toen ik bovenop de Eiffeltoren stond in de duisternis en barre koude mij omhelsde. Ze lieten mijn mondhoeken licht omhoog krullen toen ik de stille straten van de Mont Martre doorslenterde en ze vulden mijn hoofd met beelden van lonkende kunstenaars, jonge en zelfstandige Parissienes en oude individuen waar rimpels uiterlijk weergaven wat de stad al jaren van hen had verwacht.
Ik voelde gebouwen, culturen, drukte, vrijgevigheid, kunst en onbeschrijflijke dingen: ik voelde leven rondom terwijl alles, van idee tot gevoel, werd opgeslokt door Parijs wanneer ik als één samen met het metgezel opging in de massa. Of dit nu het feit betrof dat onze voeten het dreigden te begeven op de kasseien nabij de Notre Dame of dat lichamen tegen elkaar werden geperst op weg naar de volgende ondergrondse Metro.
Parijs was geestverruimend subliem en weerbarstige onvoorbereidheid. Parijs was vertellen zonder woorden en het besef dat men niet alles kan opnemen in ideeën; enkel moedeloos verdrinken in alles was genoeg. Enkel het weten dat kluisterende kettingen voor even waren gebroken was een vrijheid. Parijs was volledig ademend.
Parijs was volledig echt.


